De klerenramp

 

(Groningse schoolvereniging, groep 6A, 10 februari 2012)

 

Groningen, 1672

1

20 juli 1672, op zaterdag: Bernard, de zoon van generaal Rabenhaupt, moet een bestelling maken bij de kleermaakster Julia. De bestelling moet absoluut voor 24 juli af zijn.

Bernard komt binnen en kijkt Julia aan.

“Kun je vijftig uniformen maken voor 24 juli?” vraagt hij verlegen.

“Ja, hoor,” zegt ze blozend. Ze wil het hem graag naar de zin maken.

Bernard voelt zich altijd wat verward als hij bij haar in de buurt komt. Hij loopt snel weer weg.

Julia denkt: dit krijg ik nooit af!

2

Ik moet die uniformen af hebben, denkt Julia. Maar ik wil ook mijn jurk afmaken, daarmee kan ik indruk maken op Bernard. Ze denkt even na, dan besluit ze: ik raffel die uniformen af en dan ga ik gewoon verder met mijn jurk. In deze mooie jurk zal hij vast voor me vallen.

Ze is druk bezig en praat tegen zichzelf.

Even hard doorwerken, Julia!

“Au!” ze prikte zichzelf met een naald.

Het schiet maar niet op. Het gaat er echt niet van komen. Misschien denkt hij nu dat ik een dom meisje ben die niks kan, zegt ze in zichzelf.

Ze pakt het katoen en zegt in zichzelf, ik moet het blijven proberen. Ze loopt naar de stofstapel en gaat weer verder.

3

Julia is druk bezig met de jurk voor zichzelf. Het is al 24 juli. Ze ziet Bernard aankomen. Oh, nee he, denkt ze, ik moest die stomme uniformen afhebben.

Ze kijkt om zich heen. Ik moet snel een smoes verzinnen, denkt ze. Oh, ik weet het al, ik doe de deur op slot en de gordijnen dicht, dan denkt hij dat ik niet thuis ben en dan raffel ik die uniformen snel af, en dan ga ik door de achterdeur en doe ik alsof ik net thuiskom. Dan geef ik die uniformen in een tas mee, en dan zeg ik dat ze heel goed gelukt zijn.

Ze gelooft er zelf niet zo veel van.

4

Bernard rent naar de kledingwinkel om de uniformen op te halen. De vijand is in aantocht. Maar de voordeur zit op slot en de ramen en de gordijnen zijn dicht. Misschien kan ik achterom lopen, denkt hij en het kan, de achterdeur is niet op slot. Hij stapt naar binnen en ziet haar met een jurk in de weer. Ze werkt aan de mouwen.

Verbaasd en hijgend zegt hij: “Zijn de uniformen al klaar, ik kom ze ophalen.”

Ze schrikt en zegt: “Eh, nee. Ik… eh…”

“Wat!” roept hij. “Je hebt er vier dagen de tijd voor gehad! Je spijbelde gewoon!”

“Nee hoor!” roept ze terug. “Ze zijn bijna af!”

5

Boem! Een explosie raast over de stad.

“Daar is de eerste al,” zegt Bernard. De uniformen zijn nu nodig, omdat Bommen Berend aankomt.

Dat was dichtbij, denkt Julia. Ze hoort iets recht boven haar winkeltje komen. Er is even stilte.

Dan is er overal paniek.

Boem! klinkt er opnieuw. Een kogel knalt door Julia’s dak. Ze begint te gillen en Bernard grijpt haar hand. Ze rennen naar de voordeur, maar die zit op slot.

“Ze gaan naar de knoppen!” roept Julia, als er nog een bom op haar huis valt en de gordijnen beginnen te branden.

“Wat?” vraagt Bernard. “De uniformen?”

Nee, natuurlijk niet, mijn jurkjes, denkt Julia, terwijl ze naar de achterdeur rennen. Maar ze zegt: “Ja, de uniformen, ze zijn vast allemaal kapot! Haal me hier uit!”

“Kom mee, ik breng je naar de schuilkelder, kom mee.”

Ze renden erheen en blijven daar tot de eerste aanval voorbij is. En daar gebeurt het. Ze krijgen verkering.

 

Julia’s hele huis is afgebrand en niemand komt nog om de uniformen vragen. De hele belegering lang, tot aan Gronings Ontzet, lopen de soldaten van de stad in slordige kleding, in plaats van in uniformen.

 

Op 10 februari 2012 geschreven door: Maysoon, Dagmar, Lennart, Noah, Martijn, Nanook, Kevin, Reinoud, Elyse, Hinke, Thijmen, Irini, Masha, Sanne, Louis, Jort, Renske, Tim, Masha, Aron, Pieter, Victor, Job,Yasmin, Kirsten, Damla, tijdens Schat zoekt Vinder op School met Martijn Lindeboom.