De reddende kanonskogel

 

(Michaëlschool, groep 8, 23 februari 2012)

 

Groningen, 1672

1

Nora zat aan tafel. Ze keek uit het raam. Ze zag haar eigen weerspiegeling. Haar blauwe ogen en haar bruine haar, dat deed haar aan haar moeder denken. Die was op visite bij haar zieke oma.

Nora werd wakker van haar dagdroom, ze zag twee bewakers die een jongen meesleurden.

“Ik ben onschuldig, ik ben onschuldig,” hoorde ze de jongen roepen. Maar de jongen was al snel uit het zicht verdwenen. Ze glipte weg uit de keuken om te kijken wat er aan de hand was. Nora riep nog tegen haar vader: “Ik ga even naar buiten.”

Onderweg zocht Nora de cel waar de jongen zat. Ze hoorde een zacht gesnik. Ze keek naar binnen en zag een jongen ingedoken in een hoekje zitten. Ze liep maar snel door, want haar vader zou haar anders betrappen.

2

Jonas zat tegen de muur geleund. Hij zat te denken wat er allemaal gebeurd was. De ellende begon toen zijn vader zijn moeder had vermoord. Zijn vader was gevlucht en nu zit hij hier. Hoe lang hij daar al zat, wist hij niet. Zijn tijdsbesef was weg. Hij vroeg zich af wanneer hij te eten zou krijgen. Niet veel later komt het eten, deze keer brengt een meisje het.

“Hallo, ik ben Nora.”

“Hoi, ik ben Jonas.”

Ze lachen tegen elkaar.

“Eet smakelijk,” zei Nora, ze zet het bord neer en liep weg. Hij slaakte een diepe zucht. Hij nam zich voor om het meisje te vragen of hij iets kan doen voor de stad. Bijvoorbeeld kogels gieten. Hij nam een hap van zijn eten, of prak kun je het beter noemen. Toen zijn eten op was, viel hij in slaap.

3

Nora zei tegen haar vader dat ze op het binnenhofje van de gevangenis ging zitten. Als ze naar het binnenhofje wilde, moest ze wel langs een paar cellen. Ze liep door een vieze, donkere gang. In de muur waren cellen ingebouwd. Ze liep er langs. Toen hoorde ze een stem.

“Nora, Nora …”

Het was even stil. Toen weer: “Nora, Nora.”

Ze keek in de cel waar Jonas zat.

“He, Nora, ik wil je wat vragen, kun je wat voor me doen?”

Ze bedacht zich even, maar toen ze zich bedacht dat ze hem leuk vond, twijfelde ze niet meer. Ze liep naar de cel.

“Wat is er, Jonas?”

“Ik weet dat ik er niet uit mag, ook al ben ik onschuldig.”

Ze keek hem medelijdend aan.

“Daarom wil ik graag aan het werk, ik houd het niet meer uit in deze cel. En dan kan ik bewijzen dat ik de slechtste niet ben,” zei Jonas. Nora slikte ontroering weg. Ze wil hem graag helpen.

“Ik zal het vragen aan mijn vader, maar nu moet ik gauw gaan.”

“Het liefst zou ik kogels gieten,” hoorde ze Jonas nog roepen. Nu moest ze bedenken hoe ze haar vader ooit zou overhalen. Want die was er wel van overtuigd dat Jonas slecht was.

4

“Vader!” riep Nora. “Jonas wil graag kogels gieten om de stad te helpen.”

“Niks daarvan,” zei Cornelis, haar vader.

“Alstublieft,” smeekte Nora.

“Nee is nee,” bromde Cornelis.

“Nou, dan blijf ik bij die Jonas zitten,” snauwde Nora.

“Nee,” riep Cornelis. “Je blijft bij hem uit de buurt!”

Nora liep stampvoetend naar haar kamer. Na vijf minuten sloop Nora naar de cel van Jonas en ze begonnen te babbelen.

 

Drie uur later kwam Cornelis de celkamer binnen en hij zag dat Nora en Jonas hand in hand lagen te slapen met de tralies ertussen. Cornelis schudde zijn hoofd, tilde Nora op en legde haar in bed. De volgende ochtend werd Nora wakker en ging naar de kamer van haar vader en schreeuwde: “Vader, ik wilde bij hem blijven!”

“Ik wil het niet hebben!” riep Cornelis terug. “Je mag hem nooit meer zien!”

Nora vluchtte in tranen naar de cel van Jonas en zei: “Sorry, Jonas, ik mag je niet meer zien…”

“Wa… ,” stamelde Jonas, maar toen kwam Cornelis haar al weghalen.

5

Jonas plofte op zijn bed. Hij dacht na: Wat moet hij nu al die jaren gaan doen? Hij viel uiteindelijk in slaap.

Diezelfde avond werd hij wakker. Hij hoorde een raar geluid en toen ineens…

BOEM!

Een groot gat werd dwars door zijn cel heen geslagen, zowel de traliedeur als de buitenmuur zijn kapot. Hij rende zijn cel uit in de richting van de bewakers, maar in plaats van een bewaker kwam hij Nora tegen. Nora vroeg geschrokken: “Wat is er?”

Jonas zei tegen Nora dat er een bom door zijn cel is gegaan. Nora pakte hem bij zijn arm en vroeg: “Waarom ben je niet gevlucht?”

Jonas zei: “Durfde ik niet.”

Nora neemt hem mee naar zijn cel, ze klimmen door het gat en ontsnappen.

 

Niemand weet of ze ooit teruggekomen zijn naar Groningen.

 

Op 23 februari 2012 geschreven door: Max L., Thomas, Claire, Sabien, Noa, Kim, Paul, Vince, Anne, Jasper, Yulong, Eva, Celine, Max, Ella, Felicia, Elin, Danique, Romy, Kenza, Leila, Joris, Roosje, Sheyi en Noah, tijdens Schat zoekt Vinder op School met Martijn Lindeboom.